artikel

De multidisciplinaire opleiding bestaat al

Wetgeving

De Masteropleiding voor Arboconsultants van de Netherlands School of Public and Occupational Health heeft al twintig jaar ervaring met multidisciplinaire scholing van arboprofessionals. De Graaf: ‘Veel arboprofessionals geven organisaties advies over veranderingen of zijn betrokken bij het maken en invoeren van beleid. Dat is heel anders dan als expert adviseren over gevaarlijke stoffen of de inrichting van een werkplek. Daarom willen wij een brug slaan tussen beroepsgroepen en disciplines en mensen een aanvulling bieden op hun primaire opleiding. Hierdoor kunnen deelnemers multidisciplinaire vraagstukken beter het hoofd bieden.’

 

De studie (2,5 tot 3 jaar, 23 dagen per jaar) leert arbodeskundigen met minimaal enkele jaren praktijkervaring kennis en vaardigheden over onderwerpen als advisering, juridische aspecten, beleidsadvisering en veranderkunde. Als multidisciplinaire groep adviseren de deelnemers een bestaand bedrijf over een case. Ze krijgen coaching en sluiten de opleiding af met een afstudeerscriptie. In dat geval krijgen zij een bul van de Universiteit van Amsterdam. Zo’n 120 professionals op het gebied van arbeid en gezondheid verlieten de opleiding inmiddels met een mastertitel op zak. Daarnaast volgde een groot aantal professionals onderdelen van de opleiding.

 

De eerste cursisten, eind jaren tachtig, moesten integraal arbobeleid binnen hun bedrijf gaan vormgeven. De invoering van de Arbowet fungeerde destijds als katalysator voor de opleiding. De Graaf: ‘De professionals gingen op hoger abstractieniveau integrale adviezen geven. Een arbodeskundige moest plotseling met management en directie praten. Dat vereist bepaalde kwaliteiten. Dat was andere koek dan een direct leidinggevende adviseren. Daarom hebben we bewust ingestoken op hbo/academisch niveau. Ook om ons te onderscheiden. De professional werd gedwongen niet alleen vanuit eigen expertise naar een vraagstuk te kijken, maar ook andere aspecten erbij te betrekken. De beroepsgroepen moesten daarom in het begin de taal van elkaar leren spreken en elkaar leren begrijpen.’ Aanvankelijk waren veel deelnemers externe deskundigen, vaak werkzaam bij een arbodienst. Nu bedrijven zelf meer verantwoordelijkheid dragen voor hun arbobeleid, is er een verschuiving te zien naar interne deskundigen van de bedrijven zelf.

 

Volgens De Graaf is de opleiding inhoudelijk aangepast aan de tijd. ‘Vroeger hadden we modules die de verschillende disciplines inhoudelijk behandelden. Daar was op den duur minder behoefte aan. Projectmatig werken en verandermanagement hebben meer nadruk gekregen’, aldus de opleidingscoordinator. Maar volgens haar is de visie op multidisciplinair werken binnen de opleiding in twintig jaar niet wezenlijk veranderd. De Graaf: ‘Een veiligheidskundige wordt hier niet opgeleid tot een arbeidshygienist of A+O-deskundige. Wel krijgt iemand zicht op eigen mogelijkheden als consultant binnen klantcontacten en adviestrajecten. Je maakt kennis met de werkwijze van andere disciplines en leert hoe en wanneer andere experts je kunnen aanvullen. Want een arbeidshygienist weet alles van stofjes, maar weet soms niet hoe hij draagvlak moet creeren of met weerstanden moet omgaan. Het gaat erom op tijd kennis te gebruiken die elders aanwezig is.’

 

Toch konden arboprofessionals elkaar in de praktijk maar moeilijk vinden. Lange tijd bleven zij vanuit hun eigen expertrol naar een probleem kijken. Werkgevers wisten daardoor ook niet beter, meent De Graaf. ‘Een klant vraagt om wat hij denkt dat hij krijgen kan. Werkgevers schakelden een bedrijfsarts in voor verzuimreductie. Ze dachten er niet aan om een bedrijfsarts breder te laten adviseren over gezondheidsmanagement.’ Ook arbodiensten droegen volgens haar niet optimaal bij aan een bredere inzet van deskundigen. ‘Een veiligheidskundige van de arbodienst deed metingen, maar werd niet gevraagd een advies te implementeren. Dat moest een werkgever zelf maar doen, vonden veel arbodiensten.’

 

Nu staan de klant en zijn vraag veel meer centraal, aldus De Graaf. Professionals moeten daardoor over hun eigen schaduw springen. Verder van de eigen expertise weg. De Graaf: ‘Op het moment dat je beseft dat een vraagstuk naast een inhoudelijke kant ook een organisatiekant heeft, is het makkelijker om met een arbeids- en organisatiedeskundige te gaan praten’,

 

aldus De Graaf. ‘De ramen staan nu open om anderen toe te laten. De liberalisering van de arbodienstverlening draagt daar

 

zeker aan bij.’

 

Ook uit het rapport ‘Onder druk wordt alles vloeibaar‘ leest De Graaf dat arboprofessionals de waarde van elkaar inzien. ‘Daar zijn we dolblij mee.’ Zij deelt de conclusie over de markt, die vraagt om brede inzetbaarheid van deskundigen.

 

Maar het samenvoegen van de arbeidshygienist, A&O-deskundige en veiligheidskundige in ‘een multidisciplinaire preventiedeskundige’ vindt De Graaf geen goed idee. De Graaf: ‘Collegiale consultatie is iets anders dan allemaal hetzelfde doen. Waar houdt multi anders op: moet een veiligheidskundige ook A+O’er zijn? Dat wordt erg moeilijk.’

 

Ze vindt het belangrijk dat de arbodeskundigen een duidelijk eigen vak houden. De Graaf noemt meerdere redenen: ‘Als je alles in een persoon of opleiding verenigt, verlies je de focus en daarmee de identiteit van je beroep. En je komt ook in de knel met de academische achtergrond, de theorie. Wat blijft er dan over van een vak en de ontwikkeling van het vak? Want het vak ebt weg en daarmee ook de wortels van waaruit het zich verder kan ontwikkelen. Met de identiteit van het beroep verlies je ook het oplossend vermogen voor de praktijk.’

 

De opleidingscoordinator vraagt zich af of, als de plannen werkelijkheid worden, er een heel nieuwe hbo-opleiding wordt opgetuigd. De Graaf denkt dat er in dat geval eerder sprake zal zijn van samenwerken tussen instituten die bestaande relevante onderdelen bij elkaar voegen en daaraan een diploma koppelen. Haar advies: ‘Kijk wat sterk is en voeg toe wat wenselijk is. De primaire beroepsopleidingen hebben veel goeds in huis. Er is ook aandacht voor het werk van andere beroepsgroepen. Maar het ontbreekt nog te veel aan beleidsmatige, organisatiebrede, sociaal vaardige componenten.’

 

De Graaf gaat er vanuit dat de NSPOH voor de beroepsverenigingen een partner kan zijn om aan die opleidingsbehoeften tegemoet te komen. ‘Laten wij in dit opzicht dan ook maar multidisciplinair samenwerken en zorgen dat wij dit samen vormgeven.’

 

Of de ‘multidisciplinaire preventiedeskundige’ er echt komt, beslissen de leden van beroepsverenigingen. ‘De wet zet de beroepsgroepen onder druk om na te denken over hun toekomst. Dat is goed, maar ook een beetje kunstmatig ingegeven’, zegt De Graaf. Een deel van de professionals wil zich ook niet conformeren aan de gedachte van een multidisciplinair preventiedeskundige. Is er een alternatief? De Graaf: ‘Dat kan. Zorg voor een netwerk waar andere beroepsgroepen deel van uitmaken. Want de markt vraagt teamwork. Als adviseur schakel je in wie je nodig hebt. Wie het voortouw heeft? Iemand die onze opleiding deed. Dat is een expert met kwalificaties om klantcontacten te onderhouden, die weet wat hij kan en weet waar aanvullende kennis te halen is. Dat is de aangewezen persoon.’

 

Reageer op dit artikel