artikel

Kerndeskundige grijp die kans!

Wetgeving

Het is in ARBO 2005, nr. 7 al uitvoerig besproken: de SER heeft gelukkig een streep gehaald door de hoge en lage risico’s die de overheid wilde invoeren. Daarmee verwarde men immers de begrippen gevaar en risico, zoals een van de schrijvers van dit artikel in het februarinummer van ARBO benadrukte. De SER wil dat de Arbocatalogus de middelen aanreikt om de doelvoorschriften uit de Arbowet en het Arbobesluit te realiseren. Werkgever en werknemers kunnen die middelen uitzoeken die passen binnen hun bedrijf of branche. Wel blijft hun keuzevrijheid binnen bepaalde marges: de overheid zal immers de minimale veiligheids- en gezondheidsgrenzen moeten aangeven waar iedereen, en dus ook de branche, aan moet voldoen.

 

In de toekomst zal moeten blijken of dit systeem van die veiligheids- en gezondheidsgrenzen werkt, maar het lijkt veelbelovend. Een dergelijk systeem wordt namelijk al meer dan twintig jaar toegepast in de stralingshygiene, bij de milieuzorg en bij de externe veiligheid. De overheid hanteert hier grenzen die geformuleerd zijn in termen als ‘een slachtoffer per jaar op 100.000 blootgestelden’. Duidelijk doelvoorschriften dus.

 

Een nog belangrijker voordeel is dat de catalogus draagvlak zal hebben. Werkgevers en werknemers zullen immers beseffen dat het hier gaat om ‘eigen’ regels.

 

Toch plaatsen we een kanttekening bij deze ontwikkeling. We denken namelijk dat er geen sprake zal zijn van deregulering. Integendeel, de kans is levensgroot aanwezig dat het aantal regels fors zal toenemen.

 

We brengen daarbij de vorige deregulering van de arboregelgeving in herinnering. De P-bladen moesten toen verdwijnen wegens hun ‘onheldere’ status. Daarvoor in de plaats zouden heldere beleidsregels komen, met een duidelijke status. De werkgever had er immers recht op om te weten op welke wijze de overheid zou handhaven. Men weet wat er is gebeurd: de beleidsregels zijn er gekomen, maar de P-bladen zijn niet afgeschaft; ze werden geactualiseerd en in een ander jasje gestoken. Nu heten ze Arbo-Informatiebladen en worden ze nog steeds (zeer verwarrend!) uitgegeven onder auspicien van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Geen deregulering dus.

 

Een analogie met de gezondheidszorg levert ook een aardig inzicht. Daar heeft de overheid het mes gezet in een deel van de overheidsregels. Daarvoor in de plaats zagen we echter een explosie van andere voorschriften, vooral van verzekeraars. Het totale aantal regels is fors toegenomen, juist doordat de overheid minder actief wil optreden. De kans is groot dat dit ook in arboland gaat gebeuren. Naast het Arbobesluit en de brancheregels zullen de meeste AI-bladen blijven bestaan wegens hun branche-overstijgende karakter. Ook zullen waarschijnlijk veel beleidsregels gehandhaafd blijven, want niet iedere branche zal brancheregels opstellen en in de gevallen waarin dat niet gebeurt, moet een bedrijf wel weten hoe de Inspectie handhaaft. Naast de Arbowet, het Arbobesluit, de arbocatalogus en de AI-bladen zullen er dus ook nog eens brancheregels komen. Wellicht zullen ook verzekeraars meer eisen gaan stellen. Een vetpot dus voor arboadviseurs, maar geen deregulering.

 

We denken dat de RI&E een minder prominente rol zal gaan spelen. Ten eerste hebben de meeste bedrijven er al een (76 procent van de bedrijven in 2003, Arbobalans 2004). En voor die bedrijven die tot nu toe in gebreke zijn gebleven, komen er steeds meer branche-RI&E’s beschiktbaar.

 

Bij arbobeleid zal de nadruk verschuiven naar het plan van aanpak. Naar onze mening een terechte verschuiving: het gaat immers niet zozeer om het vaststellen van de tekorten, maar hoe geconstateerde tekorten kunnen worden opgelost! Binnen het model van de arbozorg (weten, wegen, werken en waken) zou je kunnen zeggen dat daarmee de weten-fase van de arbozorg in Nederland binnenkort grotendeels voorbij is en dat we nu de fase van ‘wegen en werken’ ingaan.

 

De RI&E wordt ook minder belangrijk voor de overheid. De maatregelen zijn immers te halen uit arbocatalogussen. De overheid zal hier dan ook naar kunnen verwijzen en niet meer eisen dat de maatregelen moeten blijken uit een (nieuwe) RI&E.

 

Als de gemiddelde arbodienst adviseerde over preventie, bleef dat te vaak beperkt tot het uitvoeren van de RI&E, tot de weten-fase dus. Veel minder aandacht was er voor de volgende stappen van deze beleidscyclus. De preventisten, werkzaam bij een arbodienst deden het goed als er veel ‘RIE-tjes’ werden verkocht. Om beunhazerij en valse concurrentie tussen arbodiensten te voorkomen, was een eis van volledigheid en actualiteit (en impliciet ook aan de state of the art) opgenomen in de certificeringseisen voor arbodiensten. Deze eis, hoe goed bedoeld ook, is onzinnig. De toekomst is absoluut niet te voorspellen, dus er kan nooit een volledig overzicht van risico’s zijn. Wat vandaag actueel is, is dat over enkele maanden allang niet meer. Dit leidde tot tot veel te hoge verwachtingen over de RI&E bij de klant en tot maagpijn bij degenen die een RI&E moesten beoordelen op volledigheid en actualiteit. Ook bedrijven leden eronder: als er een ongeval was gebeurd, was de eerste vraag van de Arbeidsinspecteur of de gevaarlijke werkwijze ook in de RI&E stond. Zo niet, dan was een bestuurlijke boete niet ver meer weg.

 

Er zijn bedrijven die al tien jaar lang serieus maar tevergeefs probeerden om de RI&E voor hun bedrijf volledig te krijgen. Het resultaat was dat na deze periode de uiteindelijk opgestelde ‘volledige’ RI&E absoluut niet meer actueel was.

 

In de praktijk wordt het probleem van de onvolledigheid opgelost door in een RI&E ‘nadere inventarisaties’ voor te schrijven. Het zou echter veel reeler zijn om te eisen dat een RI&E ‘zo volledig en actueel mogelijk’ moet zijn. Het oordeel of dit inderdaad zo is, kan naar onze stellige overtuiging veel beter aan de OR worden overgelaten. Die kan ter ondersteuning van zijn oordeel desgewenst de benodigde deskundigheid inkopen. De verplichte RI&E-toets kan dan komen te vervallen; de noodzaak voor die eis is er niet meer en de eis leidt tot meer kwaads dan goeds. Gesteld zou kunnen worden dat een RI&E niet voldoet als deze OR-toets niet heeft plaatsgevonden. Die eis is er nu ook al, maar dat zou dan specifieker als handhavingsinstrument gebruikt kunnen worden.

 

Wat zou dit betekenen voor de kerndeskundigen (de zogenaamde gecertificeerde art. 20-deskundigen)? Allereerst moeten we vaststellen dat zij het nu al moeilijk hebben: de liberalisering van de arbodienstverlening plaatste hen aan de zijlijn. Slechts de bedrijfsarts bleef uit de wind, want die ontleent zijn wettelijke basis niet aan de Arbowet, maar met name aan de bepalingen in de Wet verbetering poortwachter. Met lede ogen moeten de anderen dus toezien hoe het die bedrijfsarts is die de toetsing van de RI&E voor zijn rekening kan nemen, en daarmee een oordeel geeft over allerhande arboaspecten.

 

Als de OR de beoordeling voor zijn rekening neemt, is dat niet vanzelfsprekend meer. Die kan de deskundige inhuren van zijn keuze, zodat alle kerndeskundigen een eerlijke kans krijgen. Ook verdwijnt daarmee de bureaucratische en sfeerbedervende terreinafbakening tussen de kerndeskundigen. Wie heeft waar verstand van, en wie mag dus welke onderdelen van de RI&E toetsen?

 

In grote bedrijven met interne arbodiensten waren het vooral veiligheidskundigen die de RI&E maakten of hier een belangrijk aandeel in hadden. Ook probeerden ze meestal te zorgen dat hun adviezen werden geimplementeerd. Maar de arbodienst waar ze in dienst waren, gaf hen vaak te verstaan dat die implementatie een ‘taak van de werkgever’ was en niet van de arbodienst. Deze arbodienst vond die veiligheidskundigen hopeloos inhoudelijk. Door veranderingen in de regelgeving krijgen deze veiligheidskundigen goede kansen om de zo noodzakelijke implementatie vorm te gaan geven. Dan moeten ze er natuurlijk wel in slagen om naast hun expertrol ook de procesrol goed te spelen. In grote bedrijven worden ze daarmee dan de preventiemedewerker bij uitstek (net als de de a&o-deskundigen, met hun specifieke kennis van de organisatie). Daar komt nog het volgende bij. Zoals hiervoor is aangegeven zal de regelgeving waarschijnlijk ingewikkelder worden. En in het februari-nummer van ARBO stelde een van de schrijvers van dit artikel al dat de preventiemedewerker deskundig moet kunnen omgaan met regelgeving. Omdat veiligheidskundigen dat traditioneel goed kunnen, kan ook deze ontwikkeling voor veiligheidskundigen goede kansen bieden.

 

Reageer op dit artikel