artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Wetgeving

Een slager valt van een werkbordes en krijgt zijn mes in zijn oog met ernstig oogletsel als gevolg. Het werkbordes heeft een hoogte van zestig centimeter en is niet voorzien van een railing. De staatssecretaris van SZW legt een bestuurlijke boete op van € 5400,–. Bezwaar van de werkgever wordt ongegrond verklaard en beroep bij de rechtbank wordt afgewezen. Daarop tekent de werkgever hoger beroep aan bij de Raad van State. Volgens de staatssecretaris is de werkgever verplicht om bij werkzaamheden met valgevaar veiligheidsmaatregelen te nemen in de vorm van bijvoorbeeld een stroeve werkvloer, doelmatige hekwerken en leuningen (artikel 3.16, eerste lid Arbobesluit). Voor statische werkplekken zijn dergelijke maatregelen in principe verplicht vanaf hoogtes van 2,50 meter of meer. Is er echter sprake van risicoverhogende omstandigheden, zoals het gevaar te vallen op uitstekende delen of de aanwezigheid van verkeer, dan moet randbeveiliging ook bij geringer valgevaar worden aangebracht (beleidsregel 3.16, onder 4). De werkgever wijst erop dat het ongeluk is veroorzaakt doordat het mes bij de werknemer in zijn oog kwam; dit acht hij een niet-specifiek aan de val verbonden risico. Daarom zou er geen sprake zijn van risicoverhogende omstandigheden en was randbeveiliging dus niet verplicht. De Raad van State stelt dat artikel 3.16 van het Arbobesluit geen ruimte biedt voor een beperkte uitleg van het begrip risicoverhogende omstandigheden. Het werkbordes had een relatief klein werkoppervlak (1,5 bij 1,2 meter); de vloer kon glad zijn; er werden messen gebruikt en werknemers moeten voor hun werk soms op de rand van het werkbordes staan: al met al was er sprake van meerdere risicoverhogende omstandigheden. Door geen randbeveiliging aan te brengen heeft de werkgever dus gehandeld in strijd met artikel 3.16 eerste lid van het Arbobesluit. De raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de boete.

 

(Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, 29 december 2004, LJN nr. AR 8353)

 

Een pand is sinds 1984 in gebruik als cafe-restaurant en hotel. Van de gemeente moet op grond van de Woningwet een nieuwe brandmeldinstallatie worden aangelegd. De huurder vindt dat de aanleg van de installatie voor rekening van de huisbaas moet komen, maar die denkt daar anders over. Als de kantonrechter de huurder gelijk geeft, gaat de huisbaas in beroep. Het gerechtshof stelt dat de huisbaas wist dat de huurder het pand als hotel wilde exploiteren. Een huisbaas moet zijn pand zo ter beschikking stellen dat het voor de gegeven bestemming kan worden gebruikt. Omdat het ontbreken van een goedgekeurde brandmeldinstallatie het gebruik belemmert, moet de huisbaas het pand voorzien van een brandmeldinstallatie die voldoet aan de huidige eisen. Het hof bevestigt de uitspraak van de kantonrechter.

 

(Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 28 september 2004, LJN AR 7498)

 

Noot: Het geschil werd beoordeeld volgens het oude recht. Onder het nieuwe recht is de verhuurder verplicht het pand zodanig ter beschikking te stellen en te laten als voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is.

 

 

Een werknemer van een garagebedrijf komt tussen 1965 en 1979 in aanraking met wit asbest (chrysotiel). In 1998 blijkt hij aan mesothelioom te lijden, begin 1999 overlijdt hij. De werknemer en de erven stellen de werkgever aansprakelijk, maar de kantonrechter wijst de vordering af. Volgens hem waren de gevaren van werken met wit asbest indertijd onbekend en heeft de werkgever geen maatregelen achterwege gelaten ter voorkoming van de bekende risico’s (asbestose en longkanker). Vergelijking met de Schelde zaken (Cijsou-De Schelde, HR 25 juni 1993 en HR 2 oktober 1998) gaat daarom niet zonder meer op. In deze zaken had de werkgever namelijk nagelaten om maatregelen te nemen tegen bekende risico’s, waardoor de kans op een toen nog onbekend risico (mesothelioom) was vergroot. In hoger beroep bekrachtigt de rechtbank het vonnis. Daarop gaan de erven in cassatie bij de Hoge Raad. Ook de Hoge Raad stelt dat een vergelijking met de De Schelde-zaken niet opgaat en verwerpt het beroep. De Advocaat Generaal merkt nog op dat het resultaat van zijn conclusie onbevredigend is. Het gaat hier immers om werkwijzen die indertijd niet als onjuist werden gezien, maar waarover men later anders is gaan oordelen. Maar het recht hoort daar zijns inziens geen mouw aan te passen door de spelregels van het verleden aan te passen.

 

(Hoge Raad 4 juni 2004, JAR 2004, 287)

 

Een groep medewerkers krijgt van hun werkgever een auto ter beschikking als beloning voor de behaalde omzet, die zij bij toerbeurt mogen gebruiken. Een van de werknemer krijgt met deze auto buiten werktijd een ongeluk. Volgens de politie reed hij te hard en had hij gedronken. De werkgever ontslaat de werknemer op staande voet en eist een schadevergoeding. Volgens de kantonrechter hebben de werknemers de auto in bruikleen gekregen. Bij bruikleen is de lener aansprakelijk voor beschadiging van de geleende zaak. Werknemers zijn echter slechts aansprakelijk voor schade die het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Dat de werknemer de schade buiten werktijd heeft veroorzaakt, is voor de rechter geen reden om niet van een werknemer-werkgeverrelatie uit te gaan, omdat de werknemer de wagen zowel onder als na werktijd mocht gebruiken. Volgens de kantonrechter is de schade het gevolg van bewuste roekeloosheid van de werknemer, omdat de werknemer te veel alcohol had gedronken en met te hoge snelheid heeft gereden. Daarom moet de werknemer de schade van de werkgever vergoeden.

 

(Kantonrechter Rotterdam 16 november 2004, JAR 2005, 7)

 

Een vrachtwagenchauffeur haalt een container met bouwafval op van een afgeschermd terrein. Daarbij glijdt hij uit over een paar tegels die van de hoog opgeladen container zijn gevallen. Hij loopt letsel op aan zijn enkel. Twee dagen later valt hij bij het opstaan uit bed en daarbij loopt ook zijn pols letsel op. Hierdoor volledig arbeidsongeschikt geworden, vordert hij schadevergoeding van zijn werkgever. Die had er volgens hem op toe moeten zien dat er geen afval uit de container kon vallen. Zowel de kantonrechter als de rechtbank wijst de vordering af.

 

De chauffeur stapt naar de Hoge Raad. Die vindt dat de rechtbank terecht als uitgangspunt heeft genomen dat de werkgever slechts die maatregelen moet treffen die redelijkerwijs nodig zijn om ongevallen te voorkomen. De zorgplicht van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek gaat niet zover dat de werkgever dagelijks moet controleren of er puin uit containers dreigt te vallen. Volgens de Hoge Raad heeft de werkgever keurig aan zijn zorgplicht voldaan. Hij heeft regelmatig veiligheidsbijeenkomsten gehouden en iedere medewerker van een handboek voorzien waarin op veiligheidsaspecten werd ingegaan. Er was voldoende toezicht op de naleving van de veiligheidsmaatregelen en iedere medewerker was verplicht om de cursus Basisveiligheid 1 te volgen. Ten slotte had de werkgever voor en na het ongeval werkplekinspecties uitgevoerd, waarbij de werkplek telkens in orde werd bevonden. Volgens de Hoge Raad hoeft een werkgever niet altijd op grond van artikel 7:658 BW specifieke schriftelijke veiligheidsinstructies te geven en op de naleving daarvan toe te zien. Het hangt namelijk van de omstandigheden af welke veiligheidsmaatregelen de werkgever moet nemen, hoe hij zijn werknemers moet instrueren en hoe hij op de naleving moet toezien. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

 

(Hoge Raad 9 juli 2004, JAR 2004, 190)

 

Enkele werknemers kaarten bij hun werkgever aan dat zij zich door hun afdelingshoofd seksueel geintimideerd voelen. De werkgever schakelt de interne afdeling Veiligheidszaken in, die alle betrokken medewerkers hoort. Ook wordt tweemaal met het afdelingshoofd gesproken. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek ontslaat de werkgever het afdelingshoofd vervolgens op staande voet. Het afdelingshoofd roept nietigheid van het ontslag in en vordert doorbetaling van loon plus rehabilitatie. De werkgever verzoekt voorwaardelijke ontbinding. De kantonrechter overweegt dat uit de verklaringen van de vrouwelijke en mannelijke werknemers blijkt dat het afdelingshoofd zich schuldig maakte aan bedreigingen en aan seksueel getinte opmerkingen. Verder sprak hij zijn vrouwelijke ondergeschikten in mailtjes aan als ‘meiske’ en ‘schatje’ en liet hij duidelijk merken meer van ze te willen dan alleen een zakelijke verstandhouding. Volgens het afdelingshoofd hoorden zijn opmerkingen bij de bedrijfscultuur. De rechter vindt dat geen argument, want ook dan had het afdelingshoofd zich moeten realiseren dat er sprake was van een ongelijkwaardige positie. Daarbij maakt het niet uit dat de werkgever het afdelingshoofd nooit heeft gewaarschuwd. Ook zonder waarschuwing kon de man weten dat hij de grenzen van het betamelijke overschreed. De rechter wijst de vorderingen van de werknemer af – zonder toekenning van een vergoeding – en wijst het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van de werkgever toe.

 

(Kantonrechter Eindhoven, 29 november 2004, JAR 2005, 2)

 

Een ervaren elektromonteur werkt als uitzendkracht voor een installatiebedrijf. Hij sluit een machine aan op een onder hoogspanning staande verdeelkast in een metaalbedrijf. Daarbij raakt hij gewond door een steekvlam. De politierechter veroordeelt het installatiebedrijf tot betaling van een boete wegens overtreding van de Arbowet. De werknemer vordert betaling van de materiele en immateriele schade. De spanning had namelijk niet van de verdeelkast gemogen omdat anders het hele productieproces stil zou komen te liggen. Volgens de werkgever heeft de werknemer echter door roekeloosheid kortsluiting veroorzaakt. De kantonrechter volgt de redenering van de werkgever en wijst de vordering van de werknemer af. Deze gaat in beroep. Volgens het hof blijkt uit de verklaring van de directeur van het installatiebedrijf dat de veiligheidsvoorschriften het werken aan een onder spanning staande installatie niet volledig uitsluiten. Daarom heeft de monteur niet bewust roekeloos gehandeld. Daarop voert het installatiebedrijf aan dat de monteur zeer ervaren was en dat het daarom geen veiligheidsmaatregelen en -aanwijzingen hoefde te geven. Volgens de rechter had het bedrijf echter voor aanvang van de werkzaamheden afspraken moeten maken met het metaalbedrijf over een tijdstip waarop de spanning van de installatie af kon. Omdat het installatiebedrijf dit heeft nagelaten, heeft het niet voldoende maatregelen getroffen en aanwijzingen verstrekt om schade van de werknemer te voorkomen. Dus heeft het zijn zorgplicht geschonden. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van de werknemer toe.

 

(Gerechtshof Leeuwarden, 12 januari 2005 LJN nr. AS 2301)

 

Het ministerie van Justitie ontslaat een portier na een periode van ziekte wegens ongeschiktheid. De rechter draait het ontslag terug, omdat het ministerie onvoldoende naar een passende alternatieve functie heeft gezocht. Daarop krijgt de portier een baan als tuinman bij een gevangenis. Al snel meldt de man zich weer ziek. De bedrijfsarts verklaart hem volledig arbeidsgeschikt, waarop het ministerie de loonbetaling van de thuisblijvende werknemer stopzet. Volgens de huisarts heeft de werknemer psychische klachten die samenhangen met de arbeidssituatie. De werknemer krijgt de keuze tussen hervatting van zijn werk, ontslag met wachtgeld wegens arbeidsongeschiktheid of disciplinair ontslag. Hij opteert voor arbeidsongeschiktheidsontslag, maar stelt aanvullende voorwaarden.

 

Het ministerie vindt die niet acceptabel, trekt het aanbod in en geeft de man de opdracht onmiddellijk aan het werk te gaan. De man weigert, waarna het ministerie hem disciplinair straft met ontslag. De werknemer maakt daartegen bezwaar. Hij vindt de functie van tuinman niet passend en acht het niet-hervatten van zijn werk geen plichtsverzuim. Hij was immers eerder arbeidsongeschikt verklaard en is dat daarna gebleven. Verder kan een eventueel plichtsverzuim hem niet worden aangerekend wegens zijn psychische gesteldheid. Als beroep bij de rechtbank niets uithaalt, keert de werknemer zich naar de Centrale Raad van Beroep. Die stelt dat een eigenmachtig niet-voldoen aan een opdracht tot werkhervatting na een arbeidsgeschiktheidsverklaring een vorm is van (ernstig) plichtsverzuim. Onder ‘eigenmachtig’ verstaat de raad op subjectieve gronden en zonder objectieve medische bevindingen. De werknemer is terecht arbeidsgeschikt verklaard, want er waren geen medische redenen voor verzuim. Daarom is het strafontslag terecht gegeven.

 

(Centrale Raad van Beroep, 17 april 2003, LJN AR 8798, 7 januari 2005)

 

Reageer op dit artikel