artikel

Recente jurisprudentie

Wetgeving

Een straf rokende scheepsbeschieter werkt van 1946 tot 1989 op een scheepswerf, waar hij wordt blootgesteld aan asbest. In oktober 1996 blijkt hij longkanker te hebben; krap een jaar later overlijdt hij. Zijn erven stellen de werkgever voor de schade aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW. De kantonrechter oordeelt op basis van de inbreng van een medisch deskundige dat de kans dat de longkanker is veroorzaakt door blootstelling aan asbest ongeveer 39 procent bedraagt. Daarom wijst hij 39 procent van de gevorderde schadevergoeding toe.

 

Beide partijen tekenen hoger beroep aan tegen dit vonnis. Volgens de erven is het percentage te laag, omdat bij de werknemer ook asbestose was vastgesteld. Ook maken zij aanspraak op een hoger bedrag aan immateriele schadevergoeding. Volgens de werkgever is de hoogte van de immateriele schadevergoeding verkeerd berekend en een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke kosten toegewezen. Het hof oordeelt dat de kantonrechter de asbestose van de werknemer op de juiste wijze in zijn afweging heeft meegenomen. Verder vindt het dat er onvoldoende redenen zijn om de immateriele schadevergoeding vast te stellen op 90.000 gulden, het normbedrag van het Instituut Asbestslachtoffers. Het ziektebeeld van de werknemer sluit namelijk niet aan bij dat van lijders aan mesothelioom. Wel vindt het hof een iets hogere vergoeding toewijsbaar, namelijk 39 procent van 27.500 euro, oftewel 10.275 euro. Het hof concludeert dat de kantonrechter inderdaad een rekenfout heeft gemaakt bij het vaststellen van het smartengeld. Dat leidt echter niet tot vermindering van het bedrag, omdat het hof dat hoger heeft gesteld dan de kantonrechter. De buitengerechtelijke kosten moeten wel volledig worden vergoed en niet slechts voor 39 procent.

 

(Gerechtshof ‘s-Gravenhage 1 oktober 2004, JAR 2004, 273)

 

Een zinkende duwbak beschadigt een baggercombinatie. De bak zinkt wegens slecht onderhoud, hoewel hij was goedgekeurd door een door de Staat erkend expertisebureau. De eigenaar van de combinatie dagvaardt de Staat en het expertisebureau voor een schadevergoeding. Hij stelt dat de expert onzorgvuldig heeft geinspecteerd en dat de Staat het certificaat niet had mogen afgeven en aansprakelijk is voor de ondeugdelijke keuring. De vordering wordt in drie instanties afgewezen. Ten opzichte van beide gedaagden is namelijk niet voldaan aan het relativiteitsvereiste uit het Burgerlijk Wetboek: de geschonden norm moet beschermen tegen de geleden schade van de benadeelde. De zorgvuldigheidseisen voor de keuring zijn niet bedoeld ter bescherming van het vermogensbelang van derden. De Staat was alleen betrokken bij de verlenging van het certificaat en de keuring vanwege haar algemene verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het scheepvaartverkeer. De eigenaar van de duwbak blijft echter verantwoordelijk voor de deugdelijkheid, veiligheid, regelmatige controle en onderhoud. Het certificaat garandeert geen blijvende deugdelijkheid. Mocht het expertisebureau de bak niet zorgvuldig genoeg hebben gekeurd, dan geeft dat derden geen aanspraak op de Staat of het expertisebureau.

 

(Hoge Raad 7 mei 2004, AM 10 december 2004, p. 65)

 

Een taxichauffeur raakt een fiets en slaat de fietser vervolgens een hersenbloeding. De fietser belandt 22 dagen in het ziekenhuis en 5 maanden in een revalidatiecentrum. De taxichauffeur krijgt een werkstraf van drie maanden en moet ruim zesduizend euro schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

 

De chauffeur vindt dat zijn werkgever voor de schade moet opdraaien, omdat er sprake zou zijn van een functioneel verband tussen zijn fout en de hem opgedragen taak. Volgens de rechtbank is de werkgever op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor de daden van zijn ondergeschikte, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. De schade moet zijn veroorzaakt door een fout van die ondergeschikte; er moet sprake zijn van ondergeschiktheid; en er moet een functioneel verband zijn tussen de fout van de ondergeschikte en de hem opgedragen taak.

 

Volgens de rechtbank bestaat er voldoende verband tussen de mishandeling en de opgedragen taak. Ook meent de rechtbank dat het delict is gepleegd op de werkplek van de chauffeur (de weg) en tijdens diens diensttijd. Ook het middel waarmee het delict gepleegd is, speelt een rol bij het functioneel verband. De taxi – die door de manoeuvre met de fiets was geraakt – vormde immers de aanleiding voor de bewuste mishandeling. Daarmee is aan alle criteria ter vaststelling van het functioneel verband voldaan.

 

Dat betekent dat de fout en de ondergeschiktheid vaststaan en dat de werkgever op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is. De werkgever voert aan dat de chauffeur, tegen de regels, na de aanrijding geen contact heeft opgenomen met de taxicentrale, waardoor de werkgever geen zeggenschap heeft kunnen uitvoeren. Dat maakt voor de aansprakelijkheid volgens artikel 6:170 BW echter niet uit. Zelfs als een werkgever een bepaalde handelwijze van de ondergeschikte uitdrukkelijk heeft verboden, vrijwaart hem dit niet van aansprakelijkheid. Dat een werkgever op een bepaald moment geen zeggenschap heeft over zijn werknemer doet niet af aan de formele zeggenschap. Artikel 6:170 BW betreft een kwalitatieve aansprakelijkheid en daarmee valt een dergelijke uitleg niet te rijmen. Daarom is de werkgever aansprakelijk voor alle schade die het slachtoffer heeft geleden als gevolg van de mishandeling.

 

(Rechtbank Groningen, 29 oktober 2003, VR 2004, 165c)

 

Een oproepkracht botst met een elektrisch pompwagentje op een heftruck en raakt gewond aan zijn been. De kantonrechter wijst zijn vordering voor schadevergoeding af. Vervolgens gaat de uitzendkracht in beroep bij het gerechtshof. De vraag is of de werkgever kan aantonen dat hij de werknemer voldoende heeft geinstrueerd en voor gevaar heeft gewaarschuwd. Getuigen hebben verklaard dat de werknemer zowel geinstrueerd als gewaarschuwd is. Volgens de werknemer heeft hij nooit gehoord dat achteruitrijden verboden was, terwijl hij het bovendien andere werknemers ook zag doen. Het hof acht dat er een gevaarlijke situatie bestond binnen het bedrijf, omdat er achteruit werd gereden met de pompwagens. De werkgever heeft deze praktijk niet aantoonbaar en expliciet verboden. Integendeel, hij heeft het schijnbaar gedoogd op voorwaarde dat de werknemers regelmatig over hun schouders keken. Daarom is de werkgever zijn zorgplicht niet nagekomen en dus aansprakelijk. Dat de werknemer niet goed uitkeek, acht het hof onvoldoende aanleiding om te spreken van opzet of bewuste roekeloosheid. Daarom moet de werkgever de gevorderde schade vergoeden. Het gevorderde smartengeld van 10.000 euro wijst de rechter af wegens gebrek aan medische bewijzen. Met uitzondering van een bedrag van 1750 euro, omdat de werknemer gedurende een jaar niet heeft kunnen voetballen en tennissen.

 

(Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 25 juli 2003, Prg 2004, 6298)

 

Een ouvreuse bij het Congresgebouw in Rotterdam valt tijdens haar werk van een trap en loopt daarbij letsel op. Haar ziektekostenverzekeraar vergoedt de gemaakte kosten tot een bedrag van ruim 1500 euro; de zorgverzekeraar probeert deze op de volgens hem aansprakelijke werkgever te verhalen. De Arbeidsinspectie heeft geen overtredingen van de arbowetgeving geconstateerd op de plaats van het ongeval. Volgens een expertisebureau zijn de derde en de vierde trede van de trap niet helemaal veilig. De werkgever stelt dat de trap geen gebreken vertoonde en dat de werkneemster bovendien niet van de vierde, maar van de tweede trede is gevallen. De kantonrechter oordeelt dat nergens uit blijkt dat de trap niet zodanig was ingericht als redelijkerwijs nodig was om letsel te voorkomen. Ook is niet gebleken dat de situatie op de dag van het ongeval anders was dan tijdens het bezoek van de Arbeidsinspectie. Met het oog op de overige omstandigheden neemt de rechter aan dat de trap niet gebrekkig was en geen gevaar opleverde. De werkgever hoefde dan ook geen bijzondere instructies voor het gebruik van de trap te verstrekken. Het risico van vallen van trappen is algemeen bekend en van iedereen mag de nodige voorzichtigheid worden verwacht bij het afdalen van een trap. De kantonrechter wijst de vordering af.

 

(Kantonrechter Rotterdam, 11 augustus 2004, JAR 2004, 282)

 

Een werkneemster raakt na tien jaar werken voor 80 tot 100 procent arbeidsongeschikt wegens (naar later is gebleken) RSI-klachten. De arbeidsovereenkomst wordt vier jaar later ontbonden onder toekenning van een schadevergoeding van 10.000 gulden (circa 4500 euro), omdat de klachten voor een deel waren veroorzaakt door de werkomstandigheden. Zeven jaar na de ontbinding van het contract stelt de vrouw haar oud-werkgever aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade op grond van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (het zorgplichtartikel) en vordert ze een schadevergoeding van 35.000 euro. Zij beroept zich op een rapport waaruit blijkt dat de arbeidsomstandigheden op haar afdeling konden leiden tot klachten in het bewegingsapparaat. Tevens overlegt zij een rapport van een expertisebureau over haar werkzaamheden, waaruit blijkt dat er sprake was van een hoge werkdruk en lange werkdagen. Het werk had een sterk repeterend karakter en moest veelal in dezelfde houding worden gedaan. Volgens het rapport kwam de werkgever zijn arboverplichtingen niet na. Volgens de werkgever is de schade verdisconteerd in de bij de ontbinding toegewezen vergoeding en is de vordering bovendien verjaard. De kantonrechter hanteert de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW. Hij oordeelt dat de vordering is verjaard, omdat de werkneemster elf jaar eerder al wist of had moeten weten dat RSI de oorzaak van haar schade was. Bij de ontbindingsprocedure heeft zij die oorzaak overigens zelf genoemd. Maar ook als er geen sprake was geweest van verjaring, had de rechter de vordering afgewezen: de klachten waren immers verdisconteerd in de vergoeding bij ontbinding.

 

(Kantonrechter Alphen aan den Rijn 4 mei 2004, Prg 2004, 6313)

 

Een werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werknemer wegens gewichtige redenen. Door seksuele intimidatie heeft de werknemer een onherstelbare vertrouwensbreuk veroorzaakt ten opzichte van ten minste drie medewerksters. De kantonrechter oordeelt echter dat de werkgever onzorgvuldig heeft gehandeld tegenover de werknemer:

 

hij heeft namelijk verzuimd de werknemer te laten horen door een vertrouwenspersoon. Verder heeft de werkgever het verweer van de werknemer schijnbaar niet overwogen. Evenmin heeft hij een aantoonbare afweging gemaakt tussen ontbinding en minder verstrekkende maatregelen. Ten slotte heeft de werkgever de geheimhouding van de klacht van een van de werkneemsters niet kunnen waarborgen. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe, onder toekenning van een vergoeding van 7000 euro, wegens gelijke verwijtbaarheid van beide partijen. Omdat de werkgever geen vergoeding heeft aangeboden, krijgt hij van de rechter de tijd om het ontbindingsverzoek in te trekken.

 

(Kantonrechter Haarlem, 16 september 2004, JIN 2004, 58)

 

Een werkneemster van een verpleegtehuis wordt geraakt door een plotseling openslaande wc-deur, waardoor zij letsel oploopt. Kantonrechter en hof wijzen haar vordering op grond van artikel 7:658 BW (zorgplicht werkgever) toe. Er was namelijk sprake van een gevaarlijke situatie en de werkgever heeft niet aangetoond dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De werkgever stapt naar de Hoge Raad. Volgens de Hoge Raad heeft het hof terecht aangenomen dat de brede deur een gevaarlijke situatie vormt in de gang. Dit oordeel is voor het overige zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Ook faalt het beroep van de werkgever dat het algemeen geaccepteerd is dat een deur van 80 tot 90 cm opendraait in een gang van circa een meter breed. De situatie blijft mogelijk gevaarlijk, ondanks dat geen enkel bouwvoorschrift, arborichtlijn of NEN-norm zich ertegen verzet. Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de werkgever met het bevestigen van een dranger op de deur onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen. De dranger bleek in de praktijk immers niet te werken en de werkgever had ook de deur kunnen vervangen door schuifdeuren. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het hof.

 

(Hoge Raad, 5 november 2004, JAR 2004, 278)

 

Reageer op dit artikel