artikel

Vage visioenen van veiligheid

Wetgeving

De geinterviewden kijken met enige weemoed terug op de dagen van de oude Arbowet, maar tegelijk zijn de meesten onverbiddelijk: het was onvermijdelijk dat die wet moest sneuvelen. De een noemt de groeiende aversie tegen arbo als de voornaamste reden, een ander de vrije markt of de globalisering. Volgens de auteurs van het rapport zijn deze zienswijzen samen te smeden tot een visie. Vrije markt en globalisering zorgen immers voor meer internationale concurrentie. Daardoor eist de ondernemer dat hij dezelfde kansen heeft als zijn buitenlandse mededingers. In managerstaal: een level playing field. Hinderlijke verschillen zijn uit den boze, en aangezien de arboplicht in verre landen minder zwaar drukt, klinkt hier de roep om deregulering. Logisch, maar waarschijnlijk niet correct. Volgens de geinterviewden zorgt onze Arbowet helemaal niet voor grote verschillen op de wereldmarkt. Hoogstens roept de wet irritaties op omdat hij te gedetailleerd is, te bevoogdend. Maar misverstand of niet: uit die irritaties blijkt wel dat beroepsbeoefenaren kampen met een imagoprobleem. Vooral arbodiensten worden gezien als de rechtstreekse uitvloeisels van Haagse regelzucht.

 

Wat betekent dit voor de kerndeskundigen? Allereerst moeten ze beseffen dat ze het niet meer alleen kunnen. Terugtrekken binnen de eigen vakdiscipline heeft weinig zin, menen de geinterviewden. Goed dus dat de beroepsverenigingen besloten hebben de krachten te bundelen.

 

Maar zelfs met zijn vieren sta je niet sterk op een veld vol nieuwe spelers. Daarom moeten de kerndeskundigen aansluiting zoeken bij andere disciplines en stakeholders. Sommige geinterviewden verklaren zelfs dat het vermogen om goede relaties aan te gaan belangrijker zou kunnen worden dan inhoudelijke deskundigheid (een visie die niet door iedereen wordt gedeeld).

 

Schouder aan schouder dus. Maar met wie? Allereerst met de werkgever, zeggen de ondervraagden, want dat is ‘in toenemende mate de dominante partij’. Hij veroorzaakt het probleem en dus is hij ook verantwoordelijk voor de goede afloop. De meeste geinterviewden gaan ervan uit dat de werkgevers zelf ook doordrongen zijn van die verantwoordelijkheid. Volgens hen zijn de meesten namelijk buitengewoon fatsoenlijk. En mochten ze een slechte dag hebben, dan houdt de loondoorbetalingsplicht bij ziekte hen wel op het rechte spoor, of anders de premiedifferentiatie van de verzekeraars. De geinterviewden wijzen er bovendien op dat de werkgever van de toekomst zuinig is op zijn werknemers, vooral als dat vitale vakmensen zijn. Door globalisering en demografische neergang neemt hun aantal immers af.

 

Maar er zijn onder ondernemers ook de zogenaamde niet-willers. Ze vormen een klein percentage, maar het zijn notoire slechteriken. Geen types om nauwe banden mee aan te knopen, hoewel de kerndeskundige hier misschien een rol kan spelen als klokkenluider.

 

Een andere kandidaat voor samenwerking is de werknemer. Die wordt steeds beter opgeleid en steeds geemancipeerder, maar… hij zorgt ondertussen verrassend slecht voor zichzelf. De medewerker van 2006 stresst zich wel erg gemakkelijk naar een burn-out, en ondertussen eet hij te veel, sport hij te weinig en neemt hij onnodige risico’s.

 

Een taak voor bonden en personeelsvertegenwoordigingen, menen de geinterviewden. Die moeten ‘actief werken aan gezond en gemotiveerd personeel’. Een suggestie: roep fondsen in het leven om vitaliteitsprogramma’s mee te betalen.

 

Ten slotte is daar de overheid. Of liever gezegd: die is er steeds minder. Want de laatste jaren produceert ze alleen doelvoorschriften, vastgelegd in raamwetten, en verder beperkt ze zich tot faciliteren en stimuleren. Hoewel… dat laatste is wellicht te negatief geformuleerd: velen zien juist in innovatiebevordering een glansrol weggelegd voor Den Haag. Maar let op: de innovatie zelf moet weer komen van de deskundigen. De rapportage onderstreept namelijk dat de overheid steeds minder materiedeskundig wordt.

 

Wat er precies moet worden geinnoveerd? Helemaal duidelijk wordt het niet uit de rapportage. Waarschijnlijk ligt het antwoord verborgen in de volgende zin: ‘Velen wijzen er op dat er door de toegenomen marktwerking juist ook veel behoefte is aan innovatie op het vlak waar veiligheid en gezondheid aangrijpen op de bedrijfsprocessen; preventie dus, zoals dat meestal wordt aangeduid.’

 

Het rapport ademt bij vlagen het optimisme dat niet goed samengaat met precieze formuleringen. Maar wel met zinsneden als: ‘Allen wijzen op de onontkoombaarheid van deze ontwikkeling en stimuleren om door te pakken en samen te werken aan een win-win.’

 

Op het moment dat men concreter wordt, verdwijnt de blijmoedigheid. De geinterviewden vrezen bijvoorbeeld dat

 

– verzekeraars de dienst uit gaan maken (de doe-de-was-de-deur-uit-polis);

 

– de conjunctuur uiteindelijk zal bepalen of werknemers worden beschermd tegen gevaren;

 

– het korte dienstverband van managers hen belet aandacht te schenken aan het welzijn van de medewerker;

 

– buitenlandse werknemers met een andere veiligheidscultuur onze markt opstromen;

 

De moraal van dit alles? De kerndeskundige moet ‘aansluiten op de werkelijke vraag in de markt’, aldus de geraadpleegden. Voor bedrijfsartsen, die zich sowieso al op het individu richten, betekent dit dat ze zich zouden kunnen storten op vitaliteitsprogramma’s. De andere deskundigen ontwikkelen ondertussen meer HRM-achtige diensten. Of ‘meer integrale activiteiten op het bredere gebied van risicomanagement’.

 

Volgens de auteur van het rapport moet er dan wel het een en ander veranderen. Want volgens hem gaapt er voor de kerndeskundige een kloof tussen de opleidingen en de eisen die de praktijk aan hem stelt. Hij mist vooral ‘de bekwaamheid met de bewustzijns- en cultuurinterventies’. Maar ook ‘het omgaan met de gevolgen van de globalisering op de werkplek’.

 

Werk aan de winkel dus voor de kerndeskundigen. Want ze zullen een tijdje bezig zijn om de vaak abstracte taal van deze toekomstanalyse om te zetten in concrete acties.

 

Maar misschien is dit te somber en valt het allemaal wel mee. Want om de rapportage nog een keer te citeren: ‘Voorspellen is immers hoe dan ook een hachelijke zaak, speciaal waar het de toekomst betreft.’

 

Reageer op dit artikel