artikel

Veilig spoor

Wetgeving

Een ambtenaar van de Arbeidsinspectie mag personen bevelen om bepaalde plaatsen te verlaten. Ook kan hij hen opdragen om werkzaamheden te staken of zelfs niet te beginnen. Volgens artikel 28, eerste lid, van de Arbowet 1998 kan hij deze stillegging bevelen als het werk naar zijn redelijk oordeel ernstig gevaar oplevert voor personen. Dit bevel kan op grond van artikel 24, derde lid, van de Arbowet 1998 worden gegeven namens Onze Minister.

 

Volgens de rechtbank heeft de minister bij de invulling van het begrip ‘naar zijn redelijk oordeel’ een ruime beoordelingsvrijheid. Voorwaarde is slechts dat gevaar voor personen aanwezig wordt geacht. Of hij die bevoegdheid al dan niet gebruikt, is onderdeel van zijn beleidsvrijheid. Een dergelijk bevel heeft tot doel het voorkomen of beeindigen van een situatie die ernstig gevaar oplevert voor personen en strijdig is met de Arbowet.

 

Volgens Railinfrabeheer had de minister alleen mogen toetsen aan het Reglement Veilig Werken (RVW). Maar daar is de Raad van State het niet mee eens omdat dit RVW een (intern) bedrijfsreglement is dat als richtlijn geldt voor aannemers die in opdracht van Railinfrabeheer werken. De minister neemt steeds de Arbowet als uitgangspunt en is voor het oordeel of werkzaamheden ernstig gevaar voor personen opleveren niet gebonden aan het RVW.

 

Railinfrabeheer vindt verder dat de minister ook economische belangen mee had moeten laten wegen. Ook was zij onbekend met het beleid van de minister en had de Arbeidsinspectie in de periode tussen 1998 en 2002 niet opgetreden.

 

Maar volgens de raad beletten deze argumenten niet het treffen van maatregelen. Het was Railinfrabeheer bekend dat na 31 december 1997 bij dergelijke werkzaamheden mechanische beveiliging was vereist en dat het niet voldoende was om een extra veiligheidsman in te schakelen. Ook het ‘Projectplan landelijk inspectieproject veiligheid baanwerkers’ van september 2002, dat de basis was van het landelijk inspectietraject en het (preventieve) bevel tot stillegging, is uitgebreid besproken met de betrokken partijen. Op al deze gronden acht de Raad van State het beroep ongegrond.

 

De rechtbank maakt een opmerking over de voorgeschreven maatregelen die bij onderhoudswerkzaamheden in acht moesten worden genomen om een bepaald veiligheidsniveau te bereiken. Die hadden het karakter van richtsnoeren en het stond de werkgever vrij alternatieven aan te dragen, mits die een vergelijkbare veiligheid boden. Een zinsnede die zeker bekend is uit de beleidsregels. Niet het middel maar het te bereiken doel is van belang. En dat is het bieden van een zekere mate van veiligheid voor alle werknemers!

 

(Raad van State, 15 december 2004, LJN nr. AR 7575 )

 

Reageer op dit artikel