artikel

Wie zorgt voor de uitzendkracht?

Wetgeving

Volgens artikel 7:658 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is ‘de werkgever verplicht om lokalen, werktuigen en gereedschappen op een dusdanig wijze in te richten en te onderhouden, alsook zodanige regelingen te treffen als redelijkerwijs nodig is ter voorkoming van ongevallen van werknemers en ter bevordering van de veiligheid binnen het bedrijf.’

 

Dit zogenoemde zorgplichtartikel legt de bewijslast bij de werkgever. Die moet aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De werknemer hoeft alleen te stellen en zo nodig ook te bewijzen dat hij schade heeft geleden door de uitoefening van zijn werkzaamheden.

 

Krijgt de ingeleende kracht een ongeluk en lijdt hij schade, dan kan hij op grond van het vierde lid van dit artikel zowel het uitzendbureau als de inlenende werkgever aansprakelijk stellen. Alles hangt af van de vraag wie er tekort is geschoten.

 

Terug naar het voorbeeld waarmee dit artikel begon: de man die op de sociale werkplaats zijn hand verwondde in een zaagmachine. Deze werknemer stapt naar de rechter en eist schadevergoeding. Het hof constateert dat de sociale werkplaats, de inlener dus, waarschijnlijk mondelinge instructie heeft gegeven over de werking van de zaagmachine. Maar na de eerste twee dagen heeft de directe leidinggevende niet meer gecontroleerd of die instructies ook werden opgevolgd. Dit klemt temeer omdat de werknemer moeite had met zijn concentratie. Bovendien leiden veelvoudig repeterende werkzaamheden als het afzagen van telkens drie plankjes tot vermindering van de concentratie. Daarom is de inlener zijn zorgverplichting onvoldoende nagekomen.

 

Nog ingewikkelder wordt het als de werknemer onder drie bedrijven valt. Zoals in het volgende voorbeeld.

 

Een ervaren elektromonteur werkt als uitzendkracht bij een installatiebedrijf, en dat zendt hem weer uit om een papierpers aan te sluiten bij een metaalbedrijf. Dat loopt slecht af. Er ontstaat een steekvlam, en de man loopt brandwonden op. Hierdoor kan hij enige weken niet werken.

 

Volgens de werknemer wist het installatiebedrijf van de spanning in de verdeelkast. Hij bestrijdt dat het ongeval werd veroorzaakt door kortsluiting die hijzelf heeft veroorzaakt, zoals de werkgever beweert. Daarom eist hij schadevergoeding.

 

Het hof stelt dat de werkgever op grond van art. 7:658 lid 2 BW aansprakelijk is voor de schade, tenzij de werkgever aantoont dat hij heeft voldaan aan zijn zorgverplichting. Op grond van art. 7:658 lid 4 BW geldt die aansprakelijkheid ook voor een derde die werk laat uitvoeren door iemand met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft.

 

Het installatiebedrijf had, voordat met het werk werd begonnen, met het metaalbedrijf moeten afspreken wanneer de spanning van de installatie af zou zijn gehaald en de monteur daarvan op de hoogte moeten stellen. Dit is niet gebeurd en daarom zijn niet zodanige maatregelen getroffen en aanwijzingen verstrekt als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat de werknemer schade zou lijden. Daarom heeft het installatiebedrijf zijn zorgplicht geschonden. De vordering van de werknemer wordt toegewezen.

 

(Gerechtshof Leeuwarden, 12 januari 2005 LJN nr. AS 2301)

 

Let wel: hier wordt het uitzendbureau gezien als de uitlener en het installatiebedrijf als het inlenende bedrijf. Het metaalbedrijf blijft dan dus (civielrechtelijk gezien) buiten schot.

 

 

De Arbowet geldt ook voor studenten en leerlingen in bijvoorbeeld praktijklokalen, sportlokalen of open ruimten. Voorwaarde is wel dat hun verrichtingen gevaar voor de veiligheid of gezondheid kunnen opleveren. Let op: het gaat om verrichtingen, de wetgever spreekt hier niet over arbeid.

 

Leerlingen en studenten vallen onder de bescherming van de Arbowet, maar krijgen niet de verplichtingen opgelegd die voor werknemers gelden. Maar onderwijsinstellingen kunnen natuurlijk wel zelf richtlijnen en normen uitvaardigen, waar leerlingen zich aan moeten houden. De school moet daar ook toezicht op houden, maar dat kent wel zijn beperkingen. Zo blijkt uit de volgende zaak.

 

Een leerling komt tijdens een schoolles door een duw van een medeleerling ten val en loopt letsel op. De les vond plaats in twee verschillende ruimtes. Het was onmogelijk voor de leraar om voortdurend toezicht in beide ruimtes te houden.

 

De ouders van de leerling stellen de gemeente, als werkgever van de leraar, op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor de schade wegens schending van de zorgplicht door de school. Het artikel regelt de aansprakelijkheid van een werkgever voor daden van zijn ondergeschikten.

 

De kantonrechter oordeelt dat in het algemeen gesproken op een leraar een bijzondere zorgplicht rust. Maar dat betekent niet dat de docent steeds op elk kind direct toezicht moet houden, en elke onregelmatigheid moet opmerken. Een dergelijke eis aan school en leraar gaat de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm te boven. De vordering wordt afgewezen.

 

(Kantonrechter Zutphen 12 augustus 2003, AM 3 september 2004, p. 51)

 

Wat hiervoor is gezegd over studenten geldt doorgaans ook voor stagiairs. Daaronder zijn ook begrepen vakantiewerkers, afstuderenden enzovoort. Dit omvat dus nagenoeg iedereen die werkzaamheden uitvoert binnen een bedrijf.

 

Een werkneemster krijgt tijdens haar stage als chauffeur een ongeluk. Zij stelt het transportbedrijf aansprakelijk voor de schade. Volgens de kantonrechter is een stageovereenkomst een arbeidsrelatie als bedoeld in het 4e lid van art. 7:658 BW. De werkneemster verrichtte immers arbeid in de transportonderneming, zij moest de instructies van een leidinggevende strikt opvolgen en haar werk verschilde niet wezenlijk van dat van reguliere medewerkers van de onderneming.

 

Het is dan niet aanvaardbaar dat er een verschil in rechtspositie zou bestaan tussen de reguliere medewerkers en een stagiaire als werkneemster. De wetgever heeft nu juist dat willen vermijden.

 

(Kantonrechter Amsterdam, 20 juli 2001, JAR 2001/222)

 

Ook vakantiewerkers vallen onder de bescherming van de Arbowet. Maar de werkgever heeft wel een extra zorgverplichting voor deze groep ‘werknemers’. Een jonge vakantiewerkster is in een kippenslachterij bezig om kippenvleugels in te pakken in kratten die via een rollenband worden afgevoerd. Zij raakt met een vinger beklemd in de ketting die de rollenband aandrijft waardoor haar vinger gedeeltelijk wordt geamputeerd.

 

De werkgever vindt dat het personeel voldoende wordt voorgelicht over de gevaren van het werk. Bovendien kan de ketting niet beter worden afgeschermd wegens hygienische voorschriften.

 

De rechter is het daar niet mee eens en veroordeelt het bedrijf tot betaling van een geldboete. Ook krijgt het slachtoffer een schadevergoeding.

 

(Ec. Politierechter Groningen, 4 mei 1999, Arboprof)

 

Volgens de rechter lopen vakantiewerkers grotere risico’s dan vaste werknemers, omdat zij meestal jong en minder ervaren zijn. Ook worden zij niet altijd goed ingewerkt. Als een werkgever vakantiewerkers inschakelt, rusten er extra verplichtingen op zijn schouders om goede voorlichting en onderricht te geven. Bovendien moet hij de risico’s opnemen in zijn RI&E. De werkgever zal de voorlichting en het onderricht vaak overlaten aan ervaren medewerkers of aan direct leidinggevenden. Maar dat ontslaat hem niet van de verplichting voortdurend en systematisch na te gaan of die voorlichting inderdaad wordt gegeven. En dat laatste geldt niet alleen bij vakantiewerkers!

 

Reageer op dit artikel