Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers
Een gat in de weg
Hij stelt de gemeente aansprakelijk voor de schade. Hij vindt dat zij als wegbeheerder verzuimd heeft ervoor te zorgen dat het fietspad in goede staat verkeerde en dat de veiligheid niet in gevaar werd gebracht. De wegbeheerder is volgens hem tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Het verbod om de weg in te rijden was niet absoluut, omdat voor ongemotoriseerde voertuigen een uitzondering was gemaakt. Behalve de schrikhekken was er geen afzetlint aangebracht. De kantonrechter stelt voorop dat een wegbeheerder de plicht heeft om zijn wegen goed te onderhouden. Hij is daarmee ook verantwoordelijk voor een deugdelijke afzetting van gevaarzettende situaties. Maar toen de man in het gat fietste, was er geen sprake van ondeugdelijk wegbeheer. Het ontstane gat was een direct gevolg van een derde lekkage in de hoofdwaterleiding. Dat kan de wegbeheerder niet worden verweten. De kantonrechter is van oordeel dat het hier gaat om een incident, een plotseling en onvoorzien van buiten komend gebrek in de weg. Maar ook dan moet de wegbeheerder in actie komen. In dit geval fietste het slachtoffer echter kort (enkele minuten) na de leidingbreuk in het gat. Het gaat hier om een omstandigheid waarbij het voor de wegbeheerder onmogelijk was om preventieve maatregelen te nemen. De vordering wordt afgewezen.
<p>Hij krijgt 75 procent van zijn schade vergoed van de aansprakelijke bestuurder en diens WAM-verzekeraar. Maar de overige 25 procent blijft voor eigen rekening, omdat hij tijdens de aanrijding geen gordel droeg. De werknemer vordert van zijn werkgever vergoeding van deze resterende 25 procent op grond van art. 7:658 Boek 7 Burgerlijk Wetboek (zorgverplichting van de werkgever) en art. 7:611 Boek BW (goed werkgeverschap). </p>
<p>Daaronder valt ook het verhelpen van storingen in het machinepark, waaronder de transportbanden. Er wordt volcontinu gewerkt in een drie- en vijf ploegendienst en er zijn zo'n zestig werknemers in dienst. In februari 2005 voeren medewerkers van de technische dienst reparaties aan de transportband uit, waarbij zij enkele onderdelen verwisselen. Bij aanvang van de middagdienst is dat achter de rug, maar ze hebben om onduidelijke redenen nog wel een stuk landbouwfolie tussen de keerrol en de transportband laten zitten. Wegens de drukte van het productieproces verwijdert de shiftleader pas tegen een uur of zes de folie. Om de productie niet te verstoren, maakt hij een deel van het beveiligingsscherm los. Er zijn wel alternatieven, maar met het oog op de productiedruk kiest hij daar niet voor. De shiftleader komt met de mouw van zijn trui tussen de keerrol en een transportband terecht, waardoor zijn rechterarm bekneld raakt en uiteindelijk volledig wordt afgerukt.</p>
De hoogte is 75 euro, wegens het 'als bestuurder of passagier geen gebruikmaken van een autogordel' op 16 maart 2007 om 17.13 uur op de Hobbemakade te Amsterdam. Hij vecht de boete aan bij de kantonrechter, maar die stelt hem in het ongelijk. De chauffeur stapt naar het gerechtshof. Hij erkent dat hij geen gebruikmaakte van de gordel, maar stelt dat dit was toegestaan op grond van de wet. Hij reed namelijk in een personentaxi en een chauffeur die bezig is met personenvervoer is op grond van de Wet personenvervoer 2000 niet verplicht een autogordel te dragen. Dat staat los van het feit of er nu wel of geen passagiers in de taxi zaten. Het hof geeft aan dat in artikel 59, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) staat dat bestuurders van een motorvoertuig of een bromfiets en hun passagiers gebruik moeten maken van de voor hen beschikbare autogordel. Het zesde lid van dit artikel geeft als uitzondering dat deze verplichting niet geldt tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000. Uit het proces-verbaal blijkt dat de chauffeur zijn gordel niet droeg en dat er geen passagiers in de auto zaten. De chauffeur bestrijdt ook niet dat hij alleen in de taxi zat. Het hof vindt daarom dat de boete terecht is opgelegd. Immers, de wetstekst van artikel 59, zesde lid, RVV 1990 moet zo worden gelezen dat de uitzondering op de gordelplicht slechts geldt als er daadwerkelijk personen tegen vergoeding worden vervoerd. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Twee maanden later is ze op verzoek van de werkgever weer teruggekomen. In april 2007 komt er een nieuwe marketing director. In juni 2007 beklaagt de vrouw zich bij de vicepresident marketing over de wijze van leidinggeven door deze marketing director. De vicepresident besluit voorlopig de ontwikkelingen af te wachten. De manager finance & staff doet niets met de klachten van de vrouw en ook de vertrouwenspersoon weet niet wat hij met de klachten aan moet. In november 2007 meldt de vrouw zich ziek. In december stuurt ze een brief aan de hoogste baas, de CEO. Die formeert een klachtencommissie, die vervolgens de klachten ongegrond verklaart. Wel stelt de commissie enkele aanbevelingen op over de rol van de vertrouwenspersoon en de bedrijfsarts. De vrouw verzoekt daarop ontbinding van de arbeidsovereenkomst en een vergoeding. De kantonrechter stelt vast dat ook uit verklaringen van collega's blijkt dat de marketing director zich meerdere malen ongepast seksueel heeft uitgelaten en een negatieve stijl van leidinggeven had. Maar de werkgever weerspreekt dat, ook ondersteund door de nodige verklaringen. Verdere bewijslevering is in de ontbindingsprocedure niet mogelijk. De klachtenprocedure had daarin kunnen voorzien, maar dat is niet gebeurd. Maar de kantonrechter is van oordeel dat wel duidelijk is dat er bij de werkgever een cultuur bestond waarin het maken van seksueel getinte opmerkingen of grappen geaccepteerd werd. Ook de vrouw zelf deed daaraan mee. In haar functie als lid van het managementteam had je van haar mogen verwachten dat zij daartegen zou optreden. De werkgever kan worden verweten dat op de klachten noch door de bedrijfsarts noch door de vertrouwenspersoon adequate actie is ondernomen. Er was ook geen leidinggevende aanwezig die verantwoordelijk en aanspreekbaar was voor de bejegening van de vrouw. Pas na een formele klacht bij de CEO werd actie ondernomen. Er is toen in allerhaast een klachtencommissie geformeerd, waarbij meerdere procedurele onzorgvuldigheden zijn begaan. Gezien al deze omstandigheden acht de kantonrechter een vergoeding op basis van C = 2,5 billijk. Dat komt neer op ruim 41.000 euro. De eerdere arbeidsperiode wordt daarbij buiten beschouwing gelaten, omdat de vrouw toen zelf ontslag had genomen.