nummer 3a
<p>Het gaat om emoties. Die houden je achter de buis of maken dat gewone burgers een klopjacht gaan houden op een verwend, gewetenloos, losgeslagen huftertje, dat blijkbaar slechter en immoreler is dan ze zelf zijn. Wie een succesvol programma wil maken zoekt de emoties, wekt ze op, pakt ze close-up, met de telelens in volle erectie. Huilend vallen gewezen geliefden elkaar in de armen, na meer dan een halve eeuw verloren leven. De patient verwerkt zijn, zojuist gehoorde kankervonnis bij diafragma 5.6.</p>
<p>'Ik schrok me dood', zegt Tonnie Barends nu. 'Wist ik veel dat ik jaren met mijn neus boven potten ongezonde verf had gehangen.' Sinds deze ontdekking schildert Barends binnen uitsluitend met watergedragen verf, ook de trapleuning in zijn eigen huis. Collega's tegen wie hij dit vertelt, verklaren hem 'voor gek', zegt hij. 'Watergedragen verf vloeit en droogt wat anders, maar dat is leren en wennen. Niet iedereen kan dat iets schelen. Schilders zijn een apart, conservatief volkje.'</p>
<p>Volgens De Jonge bewijst de huidige ontwikkeling op het gebied van arbo en reintegratie het gelijk van de fusie tussen Boa en Borea. 'Wij zijn de markt voor geweest door samen te gaan. De dienstverlening naar bedrijven verbreedt zich nadrukkelijk. Onze leden houden zich veel meer bezig met gezondheidsmanagement. De Arbomonitor wijst uit dat grote arbodiensten omzet verloren. Werkgevers moesten zich vroeger wettelijk aansluiten bij een arbodienst tot de liberalisering van de arbodienstverlening juli 2005. Maar was die verplichte aansluiting zinvol? Die vraag werd niet beantwoord. Arbodiensten werden lui en werkgevers gebruikten hen als een excuustruus. Nu verbreden arbodiensten zich uitdrukkelijk naar adviesdiensten voor gezondheidsmanagement. De kleintjes waren wat sneller dan de groten, maar dat is logisch. De laatsten nemen de bocht nu eenmaal ruimer. Maar j e ziet nu dat ook de grotere organisaties als Maetis zich omgevormd hebben. Dat wijzen de cijfers ook uit. In 2005 kreeg de branche rapportcijfer 6,5 en vorig jaar was dat al 7,1. We doen het dus goed. De privatisering is een zegen gebleken. Wat wel kwalijk is dat in het bijzonder de overheid arbodiensten op prijs laat concurreren in plaats van kwaliteit. Daar zou de personeelsvertegenwoordiging wat meer op moeten toezien.' Ook de eigen verantwoordelijkheid voor verzuim en arbeidsomstandigheden die het bedrijfsleven kreeg, kan op steun van Boaborea rekenen. Maar met een kanttekening. Het midden- en kleinbedrijf blijft een zorgenkindje. De Jonge juicht dan ook het initiatief toe van MKB Nederland en STECR (zie kader op pag. 13). 'Alle hulp is welkom. Het midden- en kleinbedrijf kan het niet alleen. Daarom moeten verzekeraars en brancheverenigingen en de overheid zoveel mogelijk faciliteren zodat kleinere ondernemers zelf maatregelen kunnen nemen. Een MKB'er verdiept zich niet in gezondheids- en verzuimproblematiek, maar koopt dit soort problemen af via bijvoorbeeld zijn accountant. Toch blijkt uit alles dat hij goed voor zijn personeel zorgt en wil zorgen. Het verzuim is al laag en toch daalt het nog verder. Dat is niet voor niets. We moeten hem helpen door de bewustwording rond arbo en arbeidsongeschiktheid verder te vergroten en bijvoorbeeld poortwachterscentra te faciliteren (Boaborea wil voor eind 2010 een kwart van alle werkende 45-plussers een aanbod voor preventief medisch onderzoek (PMO) doen; red.).</p>
<p>Een grote groep werknemers (n = 12.161) uit 45 verschillende bedrijven is gedurende vier jaar 'gevolgd'. Ze zijn drie keer per jaar gevraagd om een goed gevalideerde vragenlijst in te vullen. Na vier jaar had 45 procent alle negen vragenlijsten ingevuld. Een hoog percentage, dat duidt op een hoge mate van betrokkenheid van de deelnemers. Dit is een resultaat waar de onderzoekers mee gecomplimenteerd mogen worden. Door de grootschaligheid en de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek is opgezet en uitgevoerd en het longitudinale karakter van het onderzoek, zijn de resultaten betrouwbaar.</p>
<p>In de NEA zijn personen van 15-64 jaar die betaald werken in loondienst eind 2003, eind 2005 en eind 2006 benaderd met vragen over hun arbeidsomstandigheden. Ongeveer 180.000 personen werden benaderd en bijna 60.000 hebben een ingevulde vragenlijst teruggestuurd. De data werden verzameld met een papieren vragenlijst of een internetenquete. In totaal maakten 3.845 werknemers (6,8%) in de afgelopen twaalf maanden een of meer arbeidsongevallen mee, waardoor ze lichamelijke of geestelijke schade opliepen (tabel 1). Uiteindelijk werden in de analyse ruim 3.000 werknemers bestudeerd die een ongeval met letsel beschreven.</p>
<p>Uit de geregistreerde meldingsplichtige ongevallen bij de Arbeidsinspectie in 2006 blijkt dat ongeveer 13 procent van de dodelijke slachtoffers en ruim 15 procent van de ernstig gewonde slachtoffers uitzendkrachten zijn, terwijl deze groep maar net 6 procent van de banen in Nederland heeft. Het gaat in dat jaar om 8 dodelijke slachtoffers en 271 ernstig gewonde uitzendkrachten. Het aandeel van het ongevallenpercentage van uitzendkrachten zal waarschijnlijk hoger zijn wanneer de niet-meldingsplichtige ongevallen, de niet-gemelde ongevallen en de ongevallen met zzp'ers worden meegerekend. De economische schade in de vorm van productieverlies en kosten voor vervanging, medische behandeling, juridische bijstand, onderzoek en smartengeld is enorm en dan hebben we het nog niet over het menselijke leed. Deze schade zou vele malen kleiner kunnen zijn wanneer uitzendbureaus en inlenende bedrijven hun uitzendkrachten beter zouden voorbereiden op hun taken. De directe oorzaak van een ongeval is vaak het onjuiste gebruik van de arbeidsmiddelen en machines of de gebrekkige veiligheidsvoorziening. Maar de basisoorzaak van deze ongevallen is heel duidelijk het ontbreken of tekortschieten van instructie, voorlichting en onderricht over het juiste gebruik van machines, arbeidsmiddelen en de procedures. Instructie, voorlichting en onderricht zijn belangrijk omdat - zelfs als machines goed beveiligd zijn - ze verkeerd en niet conform de gebruiksaanwijzing kunnen worden gebruikt. En daar gaat het met uitzendkrachten vaak mis. Door productiedruk of door onachtzaamheid geven bedrijven te vaak geen goede instructie en krijgen de krachten geen ervaren collega als mentor of begeleider.</p>